Montoringplan of monitoringsplan

Op deze site treft u informatie over het (laten)opstellen van een monitoringplan en enkele montoringstechnieken. 

BOUWKUNDIGE (VOOR)OPNAME

Een bouwkundige vooropname, in de praktijk ook wel eens aangeduid als nulmeting of 0-meting, bestaat uit een externe en/of interne inspectie van panden met als doel om de (bouwkundige)staat van dat moment zo goed mogelijk vast te leggen. 

Een vooropname is primair bedoeld voor panden die binnen het invloedsgebied liggen van een (ver)bouwproject. De vooropname bestaat uit een zorgvuldige inspectie,  uitgevoerd voorafgaand aan de start van het betreffende project(onderdeel), en het opstellen van een opnamerapport waarin alle aangetroffen gebreken/onvolkomenheden zijn vastgelegd. 

De basis van een goede vooropname wordt gevormd door een zorgvuldig uitgevoerde inspectie en een overzichtelijk en duidelijk opnamerapport. Een goede rapportage moet de “gebruiker” in staat stellen om in een later stadium te kunnen beoordelen of tussentijds wellicht duidelijke veranderingen in de bouwkundige staat zijn opgetreden.

Er zijn meerdere mogelijkheden om de staat van een pand vast te leggen, onder meer met behulp van foto’s of videobeelden, door middel van beschrijving of combinaties hiervan. Ook de rapportage kan op meerdere manieren worden opgemaakt.  Niet alle rapportagevormen zijn even geschikt om een goede “beoordeling” op locatie uit te voeren. Een rapportagevorm met tekst en foto’s wordt geadviseerd.

In het opnamerapport zal duidelijk moeten zijn omschreven: wat is opgenomen (per pand, verdieping, ruimte) op welke wijze (opnamemethode), wat eventuele beperkingen waren (toegangkelijkheid, goederen) en wat uiteindelijk de bevindingen zijn geweest (omschrijving, aard en locatie van gebreken, alsmede foto’s).

Als leidraad voor het opnamerapport kan de Richtlijn Bouwkundige Opname van het Nivre worden aangehouden. In bijlage treft u een afdruk van deze richtlijn aan.

De omvang van de vooropname wordt in eerste instantie bepaald door de invloed van de voorgenomen werkzaamheden en de bouwkundige staat van opstallen in het invloedsgebied. Naast technische gronden kan op sociale gronden tot het opnemen van opstallen worden besloten. In de praktijk is gebleken dat eigenaren of bewoners van panden/gebouwen zeer kritisch naar de eigen opstallen gaan kijken op het moment dat in de directe nabijheid wordt gebouwd c.q. werkzaamheden worden uitgevoerd, dit ongeacht de overlast die hierdoor wordt ondervonden. Gebreken die worden “ontdekt”, worden dan logischerwijs al snel aan de “bouwactiviteiten” toegeschreven.

 Het is voor de hand liggend dat de omvang van een opname (opnamestraal) bij “lichte” bouwactiviteiten kleiner zal zijn dan bij “zware” bouwactiviteiten. De risicobeoordeling zal duidelijkheid moeten geven over de uiteindelijke omvang van het opnamegebied.

In de praktijk worden bij licht-, middel-, en zwaar (traditioneel) heiwerk in veel gevallen afzonderlijke opnamestralen voorgeschreven, bijvoorbeeld van 25, 50  en 75 meter. Bij funderingsherstel zal er over het algemeen sprake zijn van licht heiwerk (niet traditioneel) en/of licht sloopwerk; in welk geval  een kleinere opnamestraal kan worden aangehouden.

Tenzij de risicobeoordeling anders voorschrijft, dient de omvang van de opname, ongeacht de aard, omvang en invloed van het werk,  in ieder geval te bestaan uit:

 

  • Volledige opname* (interieur en exterieur) van het pand waaraan funderingsherstel wordt uitgevoerd.
  • Volledige opname* (interieur en exterieur) van de eventueel direct aangrenzende panden; links, rechts, voor en/of achter. 
  • Volledige opname* (interieur en exterieur) van nabijgelegen panden (niet  direct aangrenzend) waarvan bouwdelen op een afstand van minder dan 5 meter van het funderingsherstel zijn gesitueerd.

 

 * Bij relatief grote panden kan het opnamegebied beperkt blijven tot een afstand van maximaal circa 20 meter vanaf het fundatie- en/of sloopwerk. 

 

TRILLINGSMETINGEN

Bij een trillingsmeting worden de trillingen in object gemeten en geregistreerd. Conform de SBR-richtlijn wordt een trillingopnemer bevestigd aan een stijf punt van de draagconstructie van een gebouw.

Trillingen kunnen schade aan gebouwen veroorzaken. Met behulp van de trillingsmetingen kunnen de werkzaamheden worden gemonitoord en beheerst.   Indien er onverhoopt te hoge trillingen worden geregistreerd , kan middels de meetdata daarop direct actie ondernomen worden. Een actie kan zijn het aanpassen van de werkmethode. ( Bijv. Voorboren of aanpassen van de valhoogte van het heiblok) In slappe gronden kan het soms positief uitpakken als de heistelling goed stabiel op schotten uitvoert.

Het belangrijkste van de trillingsmetingen is het beheersen van het bouwproces om het ontstaan van schade aan gebouwen tot een minimum te beperken. Separaat aan het beheersen van het werkproces kunnen met behulp van de registratie van de meetgegevens kan een objectief oordeel worden gegeven over de eventuele risico’s van de trillingen

We onderscheiden twee soorten trillingschade.

Directe trillingschade waarbij de trillingsnelheid in combinatie met de frequentie  primair is bij het ontstaan van scheuren.

Indirecte trillingschade.  Onder invloed van de trillingen vindt er een herverdeling plaats van de korrelstructuur in de bodem waardoor deze in volume afneemt.  Dit kan verzakkingen veroorzaken waardoor er schade aan gebouwen en of verhardingen kan ontstaan.   losgepakte zandlagen zijn erg gevoelig voor trillingen. 

Stichting Bouw research  ( SBR )heeft een richtlijn uitgewerkt om trillingschade aan gebouwen  tot een minimum te beperken.  Indien de trillingsterkte beneden de toelaatbare grenswaarde blijft van de richtlijn is de kans op het ontstaan van schade teruggebracht tot een aanvaardbaar niveau .

Indien de toelaatbare grenswaarde wordt overschreden kan door het verzenden van de alarmberichten per mail of sms en of de montage van een signaleringslamp direct actie worden ondernomen door het bouwteam. Bij overschrijding van de grenswaarde zal door een deskundige  een interpretatie van de meetwaarden moeten worden uitgevoerd.

Toelaatbare grenswaarde

Voor het bepalen van de toelaatbare grenswaarde van trillingen zijn een aantal factoren van belang, namelijk:

  • Type trillingsmeting
  • Constructiewijze en de staat van het bouwwerk
  • Type trillingsbron


 

Type trillingsmeting

Conform de SBR zijn er drie soorten metingen mogelijk: indicatieve meting, beperkte meting en een uitgebreide meting.

De meting moet worden uitgevoerd op een stijf punt van de draagconstructie.

Bij een indicatieve meting kan worden volstaan met één trillingsmeter per pand. Ter plaatse zal worden bekeken of de meetapparatuur aan de binnen- of buitenzijde van het pand wordt geplaatst.


 

Constructiewijze en de staat van het bouwwerk

De SBR heeft onderstaande indeling in categorieën van bouwwerken en van onderdelen daarvan aangehouden:

Categorie 1     In goede staat verkerende onderdelen van de draagconstructie, indien deze bestaan uit gewapend beton of hout;

Onderdelen van een bouwwerk die geen deel uitmaken van de draagconstructie (bijv. scheidingsconstructies), indien deze bestaan uit gewapend beton of hout;

Draagconstructies van bouwwerken, geen gebouw zijnde, die bestaan uit metselwerk zoals pijlers van viaducten, kademuren en dergelijke.

Categorie 2     In goede staat verkerende onderdelen van de draagconstructie, indien deze bestaan uit metselwerk;

In goede staat verkerende onderdelen van een gebouw die niet tot de draagconstructie behoren, zoals scheidingsconstructies die bestaan uit niet-gewapend beton, metselwerk of uit brosse steenachtige materialen.

Categorie 3     Onderdelen van oude en monumentale gebouwen met een grote cultuurhistorische waarde;In slechte staat verkerende gebouwen uit metselwerk of in slechte staat verkerende onderdelen van een gebouw.

 

Type trillingsbron

Er wordt onderscheid gemaakt in de volgende typen trillingsbronnen:

  • Incidenteel voorkomende kortdurende trillingen, zoals explosies en botsingen;
  • Herhaald kortdurende trillingen, zoals heiwerk en passerend weg- en treinverkeer;
  • Continue trillingen, zoals inbrengen van fundatiepalen/damwanden met behulp van trilblokken, trilplaten.

  Bijvoorbeeld: Boorwerkzaamheden en het uitvoeren van heiwerkzaamheden  vallen onder de trillingsbron herhaald kortdurende trillingen.


 

Na verrekening van de partiële veiligheidsfactoren volgens de SBR wordt de maximaal toelaatbare grenswaarde vastgesteld.

Indien het trillingsniveau onder de toelaatbare grenswaarde blijft is het risico op het ontstaan van schade lager dan 1%. Een overschrijding van de grenswaarde zal leiden tot een toegenomen kans op het ontstaan van schade.

Wij merken op dat indien de grenswaarde overschreden wordt dit niet automatisch betekent dat er ook daadwerkelijk schade zal ontstaan. In hoeverre een overschrijding een verhoogd risico is op het ontstaan van schade zal per situatie beoordeeld moeten worden.

Betreffende het meten op belendingen  is het gebruikelijk dat de trillingsmeter wordt gemonteerd op een stijf punt van het pand dat de kortste afstand heeft naar de trillingsbron. Gedurende de werkzaamheden zal de trillingsmeter dus regelmatig moeten worden verplaatst.  

Gedurende het uitvoeren van sloop en of heiwerkzaamheden dient minimaal 1 trillingsmeter te worden ingezet.

De keuze voor de positie van de trillingsmeter is situatie afhankelijk. 

Opmerking, Het meten in de hoek van een pand waarbij de afstand tot de in te heien buispaal slechts 20 centimeter is kan betreffende de trillingsoverdracht tot vreemde en ook zeer hoge trillingsnelheden leiden terwijl het geen vaststaand gegeven is dat de  hele fundering dan in beweging komt. In dergelijke situaties is het  soms aan te bevelen om een tweede meetpunt in te zetten.

Het pand waar het funderingsherstel word uitgevoerd.  En of de belendende panden.

In geval van het meten aan belendingen  is het van belang om de het lichts geconstrueerde pand binnen de meting te betrekken.   Indien deze op korte afstand is gesitueerd van de werkzaamheden. 

De keuze voor de panden wordt voornamelijk bepaald door de afstand t.o.v. de werkzaamheden.  De voorkeur is om op een pand zo dicht mogelijk bij de trillingsbron te meten. Verder is de categorie indeling van belang. Het heeft de voorkeur om op de monumentale en of de panden met  in slechte staat verkerend metselwerk te meten.

Grote zware panden (hoogbouw) worden bij voorkeur minder snel gekozen voor het monitoren op trillingen. Hoe zwaarder een pand hoe meer energie er nodig is om het pand in beweging te krijgen.  De trilling zal derhalve op een groot en zwaar pand minder invloed hebben dan op een kleiner pand.

 

HOOGTE-  EN/OF DEFORMATIEMETING

Door het uitvoeren van een hoogte- en/of deformatiemeting aan een pand bestaat de mogelijkheid om in een later stadium te controleren of de stand/positie van een pand tussentijds is veranderd.

Bij een hoogtemeting of (nauwkeurigheids)waterpassing worden meetpunten in de gevels van een pand aangebracht en wordt uitsluitend de hoogte van deze punten/merken (ook wel z-waarde genoemd) ingemeten ten opzichte van een of meerdere vaste punten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

 Bij een deformatiemeting worden meetpunten gebruikt (prisma’s en/of reflecterende meetstickers) die in meerdere vlakken/richtingen worden ingemeten; horizontale vlak 2 richtingen (x- en y-waarde) en verticale vlak 1 richting ( z-waarde). De xyz posities van de meetpunten dienen bepaald te worden ten opzichte van minimaal 3 vaste meetpunten buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.

De stand/positie van een gebouw of van een bouwdeel kan op meerdere manieren en met verschillende systemen worden “gemonitoord”, bijvoorbeeld gebruik makend van: roterende laser, tiltmeter, analoog- of digitaal waterpastoestel met E-baak of barcodebaak, total station, 3D-scanning e.d.  De keuze van het toe te passen systeem hangt nauw samen met het belang van de monitoring, en de gewenste meetnauwkeurigheid.

Trillingen verband houdend met sloopwerk, heiwerk, en/of damwandwerkzaamheden, kunnen leiden tot ongewenste deformatie van panden, hetgeen het ontstaan van schade tot gevolg kan hebben. Hetzellfde geldt voor andere aan funderingsherstel gerelateerde werkzaamheden, waaronder  bijvoorbeeld: belasten, ontgraven, bemalen en vijzelen. 

Het uitvoeren van hoogte- en/of deformatiemetingen is een belangrijk onderdeel van een goede monitoring. Door frequent controles uit te voeren kunnen eventueel optredende zettingen en/of verplaatsingen direct worden vastgesteld, kan snel worden ingegrepen en kan het ontstaan van schade worden voorkomen, dan wel worden beperkt.

De omvang van de meting wordt bepaald door de mogelijke invloed van de voorgenomen werkzaamheden (trillingen/wateronttrekking/grondwerk) en en de bouwkundige staat van de opstallen in het invloedsgebied.

De risicobeoordeling zal duidelijkheid moeten geven over de uiteindelijke omvang van de metingen.

Bij funderingsherstel zal er over het algemeen sprake zijn van licht heiwerk (niet traditioneel) en/of licht sloopwerk; in welk geval een beperkt meetgebied kan worden aangehouden.

Tenzij de risicobeoordeling anders voorschrijft, dienen, in ieder geval de volgende panden/bouwonderdelen in een meting te worden betrokken.

 

  • Gevels* van het pand waaraan funderingsherstel wordt uitgevoerd, alsmede de gevels* van de direct aangrenzende panden; links, rechts, voor en/of achter. 
  • Gevels*  van nabijgelegen panden (niet direct aangrenzend) waarvan bouwdelen op een afstand van minder dan 5 meter van het funderingsherstel zijn gesitueerd.
  • Alle draagmuren/wanden grenzend aan of binnen het gebied waar het feitelijk funderingsherstel wordt uitgevoerd.

 * Bij relatief grote panden kan het meetgebied beperkt blijven tot een afstand van maximaal circa 20 meter vanaf het fundatie- en/of sloopwerk. 

 Zoals aangegeven kan op meerdere manieren en met verschillende systemen worden “gemonitoord”.  Het is van belang dat de meting wordt verricht door of in samenspraak met een in metingen gespecialiseerd bureau en er derhalve bekendheid is met: de verschillende mogelijkheden, de apparatuur, de te stellen eisen e.d.

Uitgaande van min of meer standaard funderingsherstelprojecten is het advies om in eerste instantie een nauwkeurigheidswaterpassing uit te voeren, bij voorkeur met een zelfnivellerend digitaal waterpasinstrument met barcodebaak. Het meten met een analoog toestel en baak, mits goed uitgevoerd, kan ook volstaan.

 Het aantal meetpunten en de locaties waar deze worden aangebracht, dienen zodanig te worden gekozen dat herhalingsmetingen eenvoudig zijn uit te voeren en dat dan ook direct duidelijk wordt of het pand of delen er van, wel of niet aan ongelijkmatige zetting onderhevig is/zijn.

In de praktijk levert het in de meting betrekken van de “binnenwanden” en/of achtergevels nog wel eens problemen op (obstakels, opslag, uitbouw). Binnen de huidige technologie zijn oplossingen te bedenken waarbij voor de “moelijker” bouwonderdelen andere hulpmiddelen ingezet kunnen worden, bijvoorbeeld: waterpas met lineaaljes, (roterende) laser met ontvangers, tiltmeter e.d., om eventuele optredende zetting goed te kunnen monitoren.

Indien er sprake is van bijzondere panden/belendingen (scheefstand) en/of het risico op horizontale verplaatsingen door eenzijdige belastingen van de fundering als gevolg van aanvullingen en/of ophogingen, dan wordt geadviseerd om het pand middels een XYZ meting ook in horizontale richting te monitoren.

Voor het bepalen van het aantal uit te voeren metingen, wordt verwezen naar de risicobeoordeling, cq. het monitoringsplan.

De stand/positie van een pand kan onder invloed van (naburige) werkzaamheden wijzigen. Een pand heeft een bepaalde (beperkte) capaciteit om dergelijke wijzigingen (hoekverdraaiing) op te kunnen vangen. Een en ander hangt af van tal van factoren, waaronder: constructiewijze, materialen, trekcapaciteit van onderdelen e.d.

De meetpunten dienen op een zodanige manier te worden aangebracht dat ingeval van zetting zowel de absolute als relatieve zakking en rotatie bepaald kunnen worden.

 Zoals aangegeven is het in de praktijk niet altijd mogelijk om alle hoeken van panden te voorzien van meetpunten. Het beoordelen op rotatie/hoekverdraaiing is derhalve niet in alle gevallen mogelijk. Wat voor dergelijke situaties overblijft is het beoordelen van de metingen op absolute zetting. De maximaal toelaatbare vervorming zal per situatie verschillen. 

Tijdens het monitoren van panden/belendingen op zettingen is het van belang om zowel een alarmwaarde als een grenswaarde te hanteren. Deze waarden dienen duidelijk in de risicobeoordeling en/of het monitoringsplan te worden vermeld.

 Indien de alarmwaarde wordt bereikt (in veel gevallen wordt 3 mm voorgeschreven), zal er een technisch overleg (met de constructeur) moeten plaatsvinden om te beoordelen of er directe acties nodig zijn, bijvoorbeeld aanpassing werkzaamheden en/of het treffen van voorzorgsmaatregelen. Indien tot voorzetting van de werkzaamheden wordt besloten zal  het verloop van de zetting met een verhoogde alertheid gevolgd dienen te worden.

In geval van verdere zetting waarbij de alarmwaarde wordt bereikt (in veel gevallen wordt  5 mm aangehouden) dienen de werkzaamheden direct gestaakt te worden, dienen maatregelen genomen te worden om verdere zetting te voorkomen en zal verder overleg met constructeur en verzekereaar moeten plaatsvinden.

PEILBUISMETINGEN

 Door een buis met perforaties aan de onderzijde, verticaal  in de bodem aan te brengen, betstaat de mogelijkheid om de stand van het grondwater te meten en te monitoren.

Indien water aan de bodem wordt onttrokken, ook wel bemaling genoemd,  kan de grondslag door verlaging van de grondwaterstand inklinken/zetten en kunnen vervormingen optreden in gebouwen die op deze grondslag zijn gefundeerd.

De mate waarin  grondslag onder invloed van wateronttrekking kan inklinken/zetten hangt samen met de opbouw van de grondslag (meer of minder samendrukbare lagen), de natuurlijke fluctuaties van de grondwater ( verschillen zomer/winter, hoeveelheid neerslag) en de mate waarin in het verleden lagere grondwaterstanden zijn opgetreden (eerdere bemalingsprojecten)

De mate waarin vervormingen kunnen optreden in de aanwezige bebouwing hangt met name af van  de wijze waarop deze panden zijn gefundeerd. Grondwateronttrekking zal bijvoorbeeld nagenoeg geen  invloed hebben op een hoogbouw die op betonpalen is gefundeerd, terwijl de invloed bij een recent gerealiseerde uitbouw die op staal is gefundeerd, aanzienlijk kan zijn.

Het kunnen controleren van de grondwaterstand tijdens bemaling is dus erg belangrijk.

Indien werkzaamheden beneden de normale grondwaterstand moeten worden uitgevoerd zal bemaling noodzakelijk zijn.

Op basis van de opbouw van de grondslag ter plaatse, de funderingswijze van bebouwing en de grondwaterstanden uit het verleden, zal een goede inschatting gemaakt moeten worden van het invloedsgebied van de bemaling en van de risico’s op zetting en op vervorming van panden.

Er dient een bemalingsplan te worden opgesteld waarin de wijze van bemaling en de eventuele controlemaatregelen zijn omschreven en desgewenst ook een zettingsberekening waaruit de mogelijke invloed van de bemaling op de omgeving moet blijken..

De omvang van de peilbuismeting (aantal buizen, gebied, diepte en perforatie) dient in overeenstemming te zijn met het bemalingsplan en de risicobeoordeling.  

SCHEURWIJDTEMETING

Een scheurwijdtemeting is het monitoren van de aanwezige scheurvorming op beweging middels de montage van een scheurmeter.  Een scheurmeter bestaat uit twee plaatjes die aan beide kanten van de scheur, over elkaar heen, bevestigd worden. Het onderste plaatje is voorzien van een maatraster en het bovenste plaatje is voorzien van een kruis waardoor de beweging van de scheur op eenvoudige wijze te volgen is.

Scheuren in wanden van een gebouw worden vaak veroorzaakt door ongelijkmatige zetting van de fundering, of door drukkrachten van kapconstructies. Deze scheuren kunnen het gevolg van fouten in de berekeningen, uitvoeringsfouten en of overbelasting binnen het gebruik van de panden.  Indien van een pand wordt vastgesteld dat er risicovolle scheurvorming aanwezig die mogelijk onder invloed van het funderingherstel dermate ernstig kan verergeren dat de herstelkosten aanmerkelijk hoger zullen worden, en of dat er zelfs kan worden gevreesd voor de stabiliteit kan de eventuele beweging met een scheurmeter worden gemonitoord. 

Door frequente aflezing van de scheurmeter kan worden vastgesteld of de scheur in beweging is en kan er desgewenst tijdig worden ingegrepen.

Het volgen van de scheur kan aan de hand van registratieformulieren. Hierbij kan regelmatig de stand van de scheurmeter worden ingetekend de formulieren. Een andere methode is de scheurmeter te fotograferen waarbij deze bij navolgende metingen kan worden gebruikt als nul situatie.

In hoeverre er een noodzaak is tot het monteren van scheurmeters is situatieafhankelijk. Maar het is een vaststaand gegeven dat het een relatief goedkope manier is om de beweging van een pand in het geval van bestaande scheurvorming te monitoren die direct afleesbaar is.